Werkgroep Caritas & Diaconie Akersloot
Ik vind dat we af en toe iets van ons moeten laten horen, of in dit geval: lezen.
Het is daarbij wel van belang dat het iets moet toevoegen. Daarom heb ik aan een moeder, die wij hebben geholpen, gevraagd of ze een stukje wilde schrijven zodat mensen, lezers van dit blad, misschien over de drempel worden geholpen om hulp te vragen.
Het betreffende gezin hebben we een aantal jaren ondersteund. Op een gegeven moment belde de moeder me om ons te bedanken en te melden dat het weer goed gaat met het gezin en ze de hulp niet meer nodig hebben. Ook dat is mooi.
Ik moet er wel bij vermelden dat zij het heeft over Caritas. U weet natuurlijk wel dat we inmiddels alweer jaren samen werken als de Werkgroep Caritas & Diaconie Akersloot. Daar zijn we blij mee.
Wouter Molenaar
Toen iemand ons zag
Onrust in de wereld zorgde voor onrust in ons huis.
De gasprijzen stegen de pan uit. Precies op het moment dat wij onze energierekening voor een jaar hadden laten vastzetten. Ons maandbedrag werd zo hoog dat we de verwarming eigenlijk niet meer durfden aan te zetten.
Daar zit je dan. Met een pasgeboren baby.
Alsof dat nog niet genoeg was, kregen we te maken met ziekte binnen het gezin. Daardoor vielen er inkomsten weg. Ineens werd alles wat normaal zo vanzelfsprekend was, ingewikkeld. Luiers bijvoorbeeld. Eten haalden we zoveel mogelijk uit de tuin. Alle zeilen werden bijgezet. We betaalden onze rekeningen, maar voor alles wat daar bovenop kwam, was simpelweg geen ruimte meer.
Nieuwe schoenen voor de kinderen. Een stofzuiger omdat de oude kapot was gegaan. Wasmiddel. Medische kosten. Dingen die normaal zijn, werden ineens luxe.
En ondertussen probeerden we vooral zelf onze broek op te houden. Want dat zijn we gewend. We redden ons wel. We werken ervoor. We vragen niet snel om hulp.
Tot ik bij Wouter binnenkwam.
‘Wat is het hier lekker warm,’ zei ik.
Wouter keek me aan en vroeg: ‘Is het bij jullie niet lekker warm?’
Die simpele vraag raakt me nog steeds. Want: nee.
Bij ons thuis was het niet lekker warm. Het ging allemaal niet meer vanzelf. En misschien was dat wel het belangrijkste moment. Niet omdat iemand meteen met geld kwam of onze problemen oploste, maar omdat iemand iets zag wat wij zelf probeerden te verbergen.
Wouter stelde de juiste vraag. Daar ben ik hem eeuwig dankbaar voor.
Ik wilde geen geld aannemen. Dat voelde voor mij niet goed. Ik ben gewend om voor mezelf en mijn gezin te zorgen. Daar was begrip voor.
‘Hoe kunnen we jullie helpen?’ werd er gevraagd.
Mijn antwoord was eigenlijk heel simpel: ‘Mijn stofzuiger is stuk.’
Twee dagen later werd er een nieuwe stofzuiger bezorgd.
En er kwam een waardebon van Kruidvat, waarmee ik nieuwe luiers kon halen.
Het voelde bijna als Sinterklaas.
Niet veel later kwam Caritas langs, met pieten en cadeautjes voor de kinderen.
Ik voelde me enorm bezwaard. Want hulp ontvangen is moeilijk als je gewend bent om het zelf te doen. Ergens voel je toch dat je tekort bent geschoten. Dat je het anders had moeten kunnen oplossen.
Maar inmiddels voel ik iets anders sterker. Dankbaarheid.
En vooral dankbaarheid omdat iemand ons zag.
Niet veroordeelde. Niet vroeg wat we allemaal anders hadden kunnen doen. Niet zei dat we het beter hadden moeten regelen.
Iemand zag dat we ons best deden.
Dat we alle eindjes aan elkaar probeerden te knopen.
Dat we er niets aan konden doen dat het even niet meer lukte.
En misschien is dat wel wat hulp zo bijzonder maakt.
Het is niet alleen de stofzuiger. Niet alleen de luiers. Niet alleen de cadeautjes.
Het is het gevoel dat je er niet alleen voor staat. Dat iemand even naast je komt staan en zegt:
Ik zie jullie. Hoe kunnen we helpen?
Dat is wat ik meeneem uit deze periode. Dat hulp ontvangen niet betekent dat je hebt gefaald.
Soms betekent het juist dat iemand anders even helpt dragen wat voor jou te zwaar is geworden.
En daarvoor ben ik, ondanks het ongemak dat ik voelde, vooral ontzettend dankbaar.
Dankbaar dat iemand ons zag. Caritas maakte ons donkere dal lichter.
Een dankbare moeder